Bestuursrecht  

Verkeersbesluit en schadevergoeding

In Nederland is (bijna) alles wel formeel geregeld. Zo ook het gebruik van de openbare weg. Als  wordt besloten om al of niet tijdelijk het gebruik van de weg te wijzigen door de wegbeheerder, rijksoverheid, provincie of gemeente, dan is hiervoor een formeel besluit nodig. Bij gebruikswijzigingen kan worden gedacht aan het instellen van eenrichtingsverkeer, invoering vergunning parkeren, afsluiten voor landbouw- en/of vrachtverkeer enzovoorts. Een voorbeeld van een verkeerbesluit is het recent door de gemeente Weert op 4 november 2020 ter inzage gelegde ‘ontwerp verkeersbesluit’, inhoudende het instellen van een stopverbod op een deel van de Roermondseweg (publicatienummer 1182244).

Een verkeersbesluit is een besluit in de zin van artikel 1.3 Awb. Het besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant (zie artikel 26 Besluit Administratieve bepalingen inzake het wegverkeer; hierna het Babw) en er staat rechtsbescherming tegen open in de vorm van het instellen van bezwaar en beroep.

De gevolgen van een verkeersbesluit kunnen aanzienlijk zijn. Denk aan een wegafsluiting die de bereikbaarheid van een bedrijf beïnvloedt of het instellen van éénrichtingsverkeer waardoor omrijschade ontstaat.

De belanghebbende die gevolgen ondervindt van het verkeersbesluit kan in het geweer komen door het verkeersbesluit aan te vechten middels bezwaar en beroep. Het vorderen van schade is een andere mogelijkheid om de gevolgen van het besluit te ondervangen.

Bezwaar en beroep

In artikel 15 lid 1 en lid 2 Wegenverkeerswet 1994 (hierna Wvw) is bepaald dat als verkeerstekens als genoemd in artikel 12 Babw worden aangebracht of verwijderd of als de inrichting en/of gebruik van de weg wordt veranderd, dit enkel kan door middel van het nemen van een verkeersbesluit.

Op grond van artikel 21 Bawb moet in de motivering van het verkeersbesluit in elk geval vermeld worden welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit wordt of worden beoogd. Aangegeven moet worden welke van de in artikel 2 lid 1 en lid Wvw genoemde belangen ten grondslag liggen aan het besluit en indien andere belangen in het geding zijn, dient gemotiveerd te worden hoe deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

De af te wegen doelstellingen genoemd in artikel 2 lid 1 Wvw zijn:

  1. Het verzekeren van de veiligheid op de weg;
  2. Beschermen van weggebruikers en passagiers;
  3. Het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid ervan;
  4. Het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van artikel 2 lid 2 Wvw kunnen aan het verkeersbesluit ook nog de navolgende doelstellingen ten grondslag worden gelegd:

  1. Het voorkomen of beperken van door verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, alsmede de gevolgen van het milieu, bedoeld in de Wet Milieubeheer;
  2. Het voorkomen of beperken van door verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of functie van objecten of gebieden.

De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie o.a. 9 maart 2016 Ecli:NL:RVS:2016:589) oordeelt dat aan het bestuursorgaan een grote beoordelingsmarge toekomt bij het nemen van een verkeersbesluit. Maar het bestuursorgaan zal wel moeten aangeven hoe zij de betrokken belangen tegen elkaar afweegt. Is zulks geschied dan dient de rechter zich terughoudend op te stellen. De rechter zal wel moeten nagaan of er niet in strijd is gehandeld met de wettelijke voorschriften, of dat er geen sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van betrokken belangen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen.

Derhalve het besluit wordt op juistheid getoetst, maar de belangen worden marginaal afgewogen. En hoewel aan de overheid bij het nemen van een verkeerbesluit een grote discretionaire bevoegdheid wordt toegekend, kan het toch belangrijk zijn dit besluit – gezien de grote belangen bij de betrokkenen – aan te vechten. Immers, als het besluit niet in werking treedt, zijn alle nadelige gevolgen van de baan. Als er schadevergoeding wordt gevraagd is de kans groot dat deze niet volledig wordt vergoed.

Schadevergoeding

De schade die een gevolg is van een verkeersbesluit kan worden vergoed in de vorm van nadeelcompensatie. Er is evenwel geen direct wettelijke grondslag voor het vorderen van een vergoeding van nadeelcompensatie.

Weliswaar is in titel 4.5 Awb een algemene regeling voor nadeelcompensatie opgenomen, toch staat deze wettelijke regeling al vanaf 2013 in de wachtkamer. Inwerkingtreding is niet direct te verwachten voordat de in de steigers staande omgevingswet wordt ingevoerd. Verwachting is dat er een koppeling met ‘Afdeling 15 in de Omgevingswet’ zal worden gemaakt. Zoals het er nu uit ziet treedt de omgevingswet op 1 januari 2022 in werking.

Bij sommige overheden zijn er ‘nadeelcompensatie verordeningen’ afgekondigd die vaak ook zien op verkeersbesluiten. Is dat het geval, dan kan bij het vorderen van schade hierbij aangesloten worden. In geval van infrastructurele werken van de Rijkoverheid wordt het nadeel vergoed op basis van ‘Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019’. Bijvoorbeeld, de provincie Limburg kent de ‘Regeling nadeelcompensatie provincie Limburg’. Bij gemeenten bestaat zeker niet altijd een nadeelcompensatieverordening of regeling. 

In geval dat er geen regeling is kan schade worden “meegevorderd” in de bezwaarprocedure tegen het verkeersbesluit. De grondslag van de schadevordering is dan gelegen in artikel 3:4 lid 2 Awb, in welk artikel is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot dat besluit te dienen doelen.

Indien het besluit al vast staat en dus formele rechtskracht heeft, kan aan het bestuursorgaan een verzoek worden gedaan tot vergoeding van schade op grond van het rechtsbeginsel dat ziet op de gelijke verdeling van publieke lasten (égalité devant les charges publiques).

Alleen die schade die het maatschappelijk risico te boven gaat komt voor vergoeding in aanmerking. Immers, uitgangspunt is dat een ieder geconfronteerd kan worden met rechtmatige overheidsmaatregelen en dat de nadelige gevolgen daarvan zelf moeten worden gedragen. Dit is alleen anders als er zich zodanige feiten en omstandigheden voor doen, dat de nadelige gevolgen zodanig zwaar zijn voor de betrokkenen dat deze niet (volledig) voor deze gelaten kunnen worden. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval welk risico gezien kan worden als een normaal maatschappelijk risico en welk deel van de schade voor de betrokkene zelf blijft. Gekeken wordt naar alle relevante factoren, zoals voorzienbaarheid, aard en duur van de inbreuk.

Welke schade voor rekening van de betrokkene blijft wordt vaak uitgedrukt in een forfait of percentage van de schade. Het hanteren van een vast forfait of percentage komt de rechtszekerheid ten goede. Maar het bestuursorgaan zal evenwel  toch dienen te beoordelen of het forfait in het individueel geval redelijk is gezien alle omstandigheden van het geval.  Hoe hoger het percentage van de schade dat voor rekening van de betrokkene wordt gelaten door het bestuursorgaan, hoe zwaarder de eisen zijn die gesteld worden aan de motivering om dit percentage toe te passen (zie Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 5 december 2021 Ecli:NL:RVS:2012:BY5105).

Door het toepassen van een forfait zal het vaak voorkomen dat aanzienlijke schade voor de betrokkene zelf blijft. Om die reden is het zaak om eerst kritisch te kijken naar de deugdelijkheid van de Verkeersmaatregel zelf ter voorkoming van schade.

Door: Rob Deuss
Onteigeningsrecht
Bestuursrecht
Deel dit artikel: