Algemeen  

Hof kiest voor eenvoud bij het vorderen van incassokosten

(maar toch een addertje onder het gras)

In het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is uitgewerkt welke incassokosten mogen worden gevorderd bij een openstaande vordering op een natuurlijk persoon. Voor incassokosten geldt volgens het Besluit dat een forfaitair bedrag mag worden gevorderd afhankelijk van de hoogte van de vordering. In de bepalingen 6:96 lid 3 Burgerlijk wetboek en volgende is geregeld onder welke voorwaarden de buitengerechtelijke incassokosten mogen worden gevorderd van een consument. In elk geval moet de schuldenaar volgens artikel 6:96 lid 6 in verzuim zijn en hem moeten de gevolgen van het verzuim worden aangezegd, zoals de hoogte van de incassokosten en verschuldigdheid van de wettelijke rente. Als na aanmaning de schuldenaar niet binnen veertien dagen betaalt, heeft de schuldeiser aanspraak op de incassokosten. In de praktijk is de aanmaning de ’veertien-dagen-brief’ gaan heten. De voornoemde regeling is in 2012 ingevoerd en er is al het nodige over gezegd en  geschreven.

De vraag die in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2013 aan de orde is gesteld is, of na het zenden van slechts één ’veertien-dagen-brief’ waarbij verder geen andere incassohandelingen werden verricht door de schuldeiser, toch het volledig forfaitaire bedrag aan incassokosten verschuldigd is. De Kantonrechter wees de verschuldigdheid van incassokosten af met de motivering dat niet gesteld was dat na het versturen van de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW nog andere incassoactiviteiten dan het versturen van de brief hadden plaatsgevonden. In het verleden wees de rechter een vordering tot aparte vergoeding voor incassokosten vaak af  met een beroep op artikel 241 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en de motivering dat de eenvoudige en beperkte (incasso) handelingen slechts werden verricht ter normale voorbereiding van het geding en dat de kosten van die handelingen werden vergoed middels toewijzing van de proceskosten.
 
In de recente uitspraak wikt en weegt het gerechtshof voors en tegens tegen elkaar af. Het Hof overweegt:
 
Vóór de visie van de kantonrechter:
  1. Dat de hoogte van de incassokosten niet proportioneel is ten opzichte van de werkzaamheden en voor de consument kunnen de kosten bezwaarlijk zijn. Kort gezegd: ‘de schuldeiser verdient de centen wel erg makkelijk’
  2. Dat mondelinge uitlatingen tijdens de behandeling van de wet in de Tweede Kamer er op wijzen dat toch wat méér moet gebeuren dan het versturen van één enkele brief om aanspraak te kunnen maken op de forfaitaire vergoeding van incassokosten.
 
Tégen de visie van de kantonrechter:
  1. Dat de kosten pas verschuldigd zijn nadat de schuldenaar in verzuim is gesteld. Dus eigenlijk stelt het Hof dat de schuldenaar weet waar hij aan toe is en de kosten zelf over zich afroept door niet tijdig te betalen. 
  2. Dat uit schriftelijke kamerstukken bij de behandeling van de wet in de Kamer en in memorie van toelichting bij de wet naar voren komt dat na verloop van de veertien dagen termijn de incassokosten verschuldigd worden.
  3. Dat de bedoeling van de regeling was om duidelijkheid te verschaffen omtrent de hoogte en de verschuldigdheid incassokosten.
 
Het gerechtshof overweegt ten slotte dat de laatstbedoelde overwegingen zwaarder wegen dan de overwegingen die vóór de opvatting van de rechter blijken. Het Hof is van mening dat rechtszekerheid en eenvoud prevaleren. Gesteld kan worden dat met de nieuwe regeling iedereen weet waar hij aan toe is. 
Dus na verzending van de ’veertien-dagen-brief’ kan de schuldeiser aanspraak maken op de vergoeding van de forfaitaire incassokosten.
 
Addertje onder het gras
Toch wordt de regel als door het Gerechtshof geformuleerd, nog niet breed gedragen. Immers in een landelijk overleg over de vakinhoud van de rechtbanken en gerechtshoven is op 7 oktober 2013 (dus ná de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden) werd het rapport BGK-Integraal 2013 (Buiten Gerechtelijke Kosten) besproken. Uitgangspunt van het rapport is, dat ná de veertien-dagen-brief nog een incassohandeling plaatsvindt, alvorens aanspraak kan worden gemaakt op de buitengerechtelijke kosten. De rechtbanken en gerechtshoven hebben zich geconformeerd aan de inhoud van het rapport. In de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 23 oktober 2013 overweegt de rechtbank dat zij in principe gehouden is het Hof te volgen, maar dat dit in strijd is met het beleid zoals vastgelegd in het BGK-Integraal rapport, welk rapport een vergelijkbare status heeft met het vroegere rapport Voorwerk II, dat breed werd gedragen door de rechterlijke macht.
De rechtbank wil duidelijkheid en heeft besloten om bij de Hoge Raad een prejudiciële vraag neer te leggen. De rechtsvraag die aan de Hoge Raad gesteld wordt luidt als volgt: Dient artikel 6:96 lid 6 BW aldus worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertien-dagen-brief vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die veertien-dagen-brief nog een nadere incassohandeling wordt verricht?
 
Het antwoord wat recht is zal volgen.
 
Voorlopig geldt het advies om, als na verzending van de veertien-dagen-brief betaling uit blijft, een herhaalde sommatie te versturen met daarin een korte termijn voor nakoming, alvorens in rechte aanspraak te maken op de incassokosten. Met een beroep op het rapport BGK-Integraal en de uitspraak van het Hof zit men dan altijd veilig.
 
UPDATE 13 juni 2014: de Hoge Raad beslist dat geen extra incassohandelingen nodig zijn. In een nieuw blog beschrijf ik de consequenties van deze uitspraak. Het hierboven gegeven advies is niet langer actueel.
Door: Rob Deuss
Onteigeningsrecht
Bestuursrecht
Deel dit artikel: