Ondernemingsrecht  

Verjaring vonnis en stuiting verjaring tenuitvoerlegging

Een rechterlijke veroordeling kan nog lang ten uitvoer worden gelegd. Op grond van artikel 3:324 Burgerlijk Wetboek bedraagt de verjaringstermijn twintig jaar. Dit houdt dus in, dat tot twintig jaar nadat het vonnis uitvoerbaar werd, een vonnis ten uitvoer kan worden gelegd. In het oude burgerlijk recht dat op 1 januari 1993 zijn gelding verloor, was de termijn zelfs dertig jaar. Op 27 september 2013 wees de Hoge Raad een arrest. In deze uitspraak werd aan orde gesteld wanneer de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak  verjaard en hoe het huidige burgerlijk recht zich verhoud met het oud burgerlijk recht.

Op grond van artikel 2004 van het Oud burgerlijk wetboek begon na stuiting van de verjaring een nieuwe termijn van dertig jaar te lopen. Nu volgens het overgangsrecht 3:324 BW onmiddellijke werking heeft, is deze termijn vanaf 1 januari 1993 verkort tot twintig jaar. 
Met het inwerking treden van het huidig Burgerlijk wetboek is artikel 3:319 lid 2 BW in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat na stuiting van de verjaring van de tenuitvoerlegging van een vonnis een nieuwe termijn van vijf jaar gaat lopen, echter de oorspronkelijke verjaringstermijn blijft gehandhaafd . Dit is dus anders dan in het oude recht, waar na stuiting een nieuwe termijn van dertig jaar (later omgezet in twintig jaar) ging lopen. In de uitspraak beslist de Hoge Raad dat het artikel 3:319 lid 2 BW van toepassing is op stuitingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 1993.
De feiten lagen als volgt:
Vonnis: 27 juni 1990
Betekening: 5 april 1991
Derdenbeslag: 15 augustus 1996
Derdenbeslag: 19 juli 2010 en 16 maart 2011
De voorzieningenrechter en het gerechtshof bepaalden dat na betekening van 5 april 1991 een nieuwe verjaringstermijn van eerst dertig jaar ging lopen en na in werking treden van het nieuwe Burgerlijk wetboek werd, wegens onmiddellijke werking van artikel 3:324 BW, deze termijn twintig jaar. Zulks houdt derhalve in dat volgens voorzieningenechter en gerechtshof de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging eindigde op 4 april 2011. Derhalve waren de stuitingen van 19 juli 2010 en 16 maart 2011 tijdig gedaan.
De Hoge Raad bepaalt evenwel anders: anders dan de voorzieningenrechter en het gerechtshof oordeelt de Hoge Raad dat artikel 3:319 BW ook van toepassing is op vonnissen en stuitingshandelingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 1993.
Op grond van artikel 3:319 lid 2 BW was de verjaringstermijn vijf jaar en verstreek deze vijf jaar na de stuiting van 5 april 1991, derhalve op 5 april 1996. De oorspronkelijke verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 3:324 lid 1 BW) verstreek op 27 juni 2010. Op grond van eveneens artikel 3:319 lid 2 – dat bepaalt dat na een stuiting de verjaring in geen geval eerder intreedt dan het tijdstip waarop de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken – had de executant tot 27 juni 2010 de gelegenheid om een nieuwe stuiting uit te brengen. De betekeningen van 19 juli 2010 en 16 maart 2011 waren dus te laat. 
Het hoeft gezien deze uitspraak geen betoog dat als u nog oude vonnissen heeft liggen dat u zich goed realiseert wanneer de expiratiedatum van de tenuitvoerlegging is en in het voorkomende geval tijdig stuitingshandelingen verricht. Zie ook het blog van mijn collega Rob Verstappen waarin hij het belang van stuiting benadrukt.
Door: Rob Deuss
Onteigeningsrecht
Bestuursrecht
Deel dit artikel: