Algemeen  

Incassokosten: Hoge Raad schept duidelijkheid.

Na invoering van het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten werd de hoogte van de incassokosten in consumentenzaken aan een maximum gebonden. In de rechtspraak ontstond vervolgens onduidelijkheid omtrent de toepassing van artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is geregeld dat incassokosten pas verschuldigd zijn als deze zijn aangezegd met een termijnstelling van  veertien dagen; de zogenaamde 14-dagenbrief.  Door de rechtspraak werd de vraag gesteld of naast deze 14-dagen brief nog nadere incassohandelingen verricht moesten worden om aanspraak te kunnen maken op incassokosten. Hierover blogde ik al eerder. De kantonrechter te Arnhem legde middels een prejudiciële vraag de kwestie aan de Hoge Raad voor.

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag aldus: “dat art. 6:96 lid 6 BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan en de daarin genoemde veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar heeft gestuurd, bij uitblijven van de betaling binnen de termijn van veertien dagen de in het Besluit genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassohandelingen door de consument-schuldenaar verschuldigd wordt, zonder dat de schuldeiser gehouden is daartoe nog nadere incassohandelingen te verrichten.

Kort gezegd: na het verstrijken van de veertien dagen termijn is de consument de aangezegde incassokosten verschuldigd. Mijn eerdere advies om na verzending van de 14-dagenbrief nog een herhaalde sommatie te versturen is dus niet meer van toepassing.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad werd het BGK-Integraal rapport 2013 in augustus 2014 aangepast. De aanbeveling dat na de 14-dagenbrief nog incassohandelingen zouden moeten worden verricht, is doorgehaald.

Door: Rob Deuss
Onteigeningsrecht
Bestuursrecht
Deel dit artikel: