Arbeidsrecht  

Hoge Raad maakt einde aan omzeilen ketenregeling middels vaststellingsovereenkomst

Onlangs heeft de Hoge Raad een baanbrekende uitspraak gedaan over de zogenaamde ketenregeling. Volgens de ketenregeling volgt na drie tijdelijke arbeidscontracten een vaste aanstelling. De werkgever beoogde die vaste aanstelling te voorkomen door zijn werknemer in februari 2011 op voorhand naast een vast contract, ook een vaststellingsovereenkomst te laten tekenen, waarin partijen overeen kwamen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2012 zou eindigen. In feite wilde de werkgever weer een tijdelijke arbeidsovereenkomst bewerkstelligen. De werknemer heeft in december 2011 de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen.

Het Hof ging hier in 2013 nog in mee en liet de vaststellingsovereenkomst in stand. Immers redeneerde het Hof; in een vaststellingsovereenkomst mag van dwingend recht afgeweken worden tenzij hetgeen overeengekomen wordt in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Daarvan was volgens het Hof geen sprake.

Uit de uitspraak van het Hof in Den Bosch volgde dat dit vierde contract een einddatum had en de facto tijdelijk was. Onder ander vanuit de politiek kwam veel kritiek, en ook de vakbonden sloegen alarm. Zij vreesden dat eerdere afspraken om de doorgeschoten flexibiliteit tegen te gaan zouden worden ondermijnd. 

De Hoge Raad heeft op 9 januari 2015 een streep door de uitspraak van het Hof gezet. De Hoge Raad geeft aan dat op grond van artikel 7:900 lid 1 BW rechtsgeldig een vaststellingsovereenkomst kan worden gesloten ter voorkoming van een (toekomstig) geschil, maar dat artikel 7:902 BW met zich meebrengt dat de vaststelling alleen dan in strijd mag komen met dwingend recht indien deze strekt ter beëindiging van een – reeds bestaand – geschil en niet van een toekomstig geschil. 

Feitelijk overwoog de Hoge Raad dat de beëindigingsovereenkomst in deze zaak in onheuse zin is gebruikt en alleen leidend mag zijn bij de beëindiging van een reeds bestaand conflict. Van een conflict was nog geen sprake toen de werkgever en werknemer het contract afsloten. Dat zou bedoeld zijn geweest om een conflict te voorkomen. Kortom de Hoge Raad heeft de ‘mazen in de wet’ gesloten. De constructie die de werkgever had bedacht om de ketenregeling te omzeilen, biedt dus geen soelaas voor werkgevers die willen voorkomen dat een werknemer vast in dienst komt.

De mazen worden overigens steeds kleiner, omdat per 1 juli 2015 een (tweede) gedeelte van de wet werken en zekerheid (WWZ) in werking treedt, waardoor alleen nog tijdelijke arbeidsovereenkomsten voor in totaal maximaal twee jaar mogen worden gesloten (behoudens enkele uitzonderingen). Deze uitspraak heeft in ieder geval ook invloed op omzeilingsconstructies die nu al bedacht worden vóórdat dit gedeelte van de WWZ in werking is getreden. Kortom: het aangaan van tijdelijke arbeidsovereenkomsten vergt maatwerk. Daarbij ben ik u graag van dienst. 

Door: Karin van Hout
Familierecht
Arbeidsrecht
Deel dit artikel: