Arbeidsrecht  

Exit sluiproute ter voorkoming transitievergoeding

Op 11 november 2016 is het wetsvoorstel ‘Transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid’ na goedkeuring door de Ministerraad voor advies aan de Raad van State gezonden. Doel van het wetsvoorstel is werkgevers te compenseren voor de kosten van de transitie-vergoeding als zij na langdurige arbeidsongeschiktheid een werknemer willen ontslaan. Aan deze aanvullende regelgeving was behoefte ontstaan omdat werkgevers vanaf 1 juli 2015 ook verplicht zijn tot uitbetaling van de transitievergoeding in het geval van ontslag van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer.

In plaats van een ontslagvergunning aan te vragen houden werkgevers tot nu toe veelal het dienstverband van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer in stand, om daarmee te voorkomen dat - na twee jaar het loon te hebben doorbetaald op grond van de Wet loondoorbetaling bij ziekte - daarnaast op grond van de Wet Werk en Zekerheid ook nog eens de transitievergoeding moet worden uitbetaald.


Voorgesteld wordt de compensatiemaatregel te verlenen via het UWV en deze te financieren vanuit het Algemeen Werkloosheidsfonds met een uniforme (werkgevers) premieverhoging. Minister Asscher beoogt, zoals al door hem al eerder aangekondigd, de regeling met terugwerkende kracht in te voeren tot 1 juli 2015, om verschillen tussen werkgevers die vóór en na inwerkingtreding van de maatregel tot ontslag overgaan te voorkomen.
In het wetsvoorstel wordt geen onderscheid gemaakt tussen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde- of voor onbepaalde tijd. De regeling is van toepassing bij:

 

  • het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten waarbij de werknemer op de einddatum ziek is (en aansluitend mogelijk aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet);
  • opzegging of ontbinding van arbeidsovereenkomsten (voor onbepaalde of bepaalde tijd) vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid het niet langer kunnen verrichten van de werkzaamheden;
  • het beëindigen van arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden (en de daarbij overeengekomen vergoeding). De achterliggende reden is dat voorkomen moet worden dat een werkgever zich (onnodig) tot UWV (of de kantonrechter) wendt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Wel dient de reden van de beëindiging of niet voortzetting van de arbeidsovereenkomst gelegen te zijn in het feit dat de werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten.

Ten aanzien van de hoogte van de te compenseren vergoeding zijn de volgende beperkingen aangebracht:

  • aan compensatie wordt niet meer betaald dan de transitievergoeding waar een werknemer recht op zou hebben op het moment dat de loondoorbetalingsplicht eindigt. Hiermee wordt mogelijk misbruik voorkomen, zoals het voortzetten van een dienstverband uitsluitend met het oog op het verkrijgen van een hogere compensatie;
  • de compensatie zal niet meer bedragen dan het bedrag gelijk aan het tijdens ziekte van de werknemer betaalde loon. Als de kosten van loondoorbetaling tijdens ziekte beperkt zijn, bijvoorbeeld bij tijdelijke arbeidsovereenkomsten, is volledige compensatie van de transitievergoeding naar het oordeel van de Minister niet noodzakelijk;
  • als door UWV aan de werkgever een zogenaamde derdejaars loonsanctie is opgelegd, telt die periode niet mee bij de berekening van de hoogte van de compensatie. De ratio hiervan is dat een werkgever geen voordeel dient te behalen uit het niet naleven van verplichtingen die voor hem gelden.

Bij bewust of onbewust verkeerd verstrekte informatie door werkgever wordt geen of een lagere compensatie toegekend, of zal mogelijk te veel betaalde compensatie worden teruggevorderd en zal mogelijk aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie.


Bij ministeriële regeling zullen nadere (procedure)regels worden gesteld (termijnbepalingen en regels met betrekking tot de aanvraag en de wijze waarop het recht en de omvang van de compensatie dient te worden aangetoond.
Verder wordt voorgesteld om bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen (waaronder bedrijfsbeëindiging) de voorwaarde dat (de gekapitaliseerde) waarde van de bij CAO geregelde voorziening gelijkwaardig moet zijn aan de transitievergoeding waar een individuele werknemer recht op zou hebben gehad te laten vervallen en dit onder voorwaarden aan cao partijen te laten. Het is aan CAO-partijen om gebruik te maken van de hiermee geboden mogelijkheid om de kosten bij ontslag om bedrijfseconomische redenen voor individuele werkgevers te verlagen ofwel ingeval van bedrijfsbeëindiging ongedaan te maken. Tot slot wordt voorgesteld dat een van de transitievergoeding afwijkende CAO-regeling alleen betrekking kan hebben op ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen (en het dus niet meer mogelijk is een dergelijke regeling te treffen voor andere situaties, bijv. bij ontslag op persoonlijke redenen).


Als het wetsvoorstel wordt ingevoerd verandert het nodige voor de werkgever. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Carel van Binsbergen.

Door: Carel van Binsbergen
Arbeidsrecht
Deel dit artikel: